Tagarchief: Francesco Veenstra

Op weg naar de volhoudbare leefomgeving

Veenstra-20200920_034
Lees het gehele artikel

‘Schaalverkleining en meer rentmeesterschap als middel om de leefomgeving te verbeteren’

Hoe ziet de toekomst van Nederland er uit? Kunnen we – gezien de bevolkingsgroei – nog wel ‘mooi’ blijven wonen? We spraken hierover met Francesco Veenstra (1973), partner bij Vakwerk Architecten en sinds september 2021 tevens Rijksbouwmeester en voorzitter van het College van Rijksadviseurs. De Rijksbouwmeester adviseert gevraagd en ongevraagd over de architectuur en de stedelijke omgeving van het Rijksvastgoed.

1. Wat is ‘Mooi wonen’?

“Dat is een goede vraag. Maar ook een moeilijke om te beantwoorden. Wat voor de één ‘mooi’ is, is voor de ander ‘niet mooi’. Het is subjectief. Ik ga echter uit van het perspectief dat mensen zich in hun woon- en leefomgeving op hun gemak moeten voelen. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de kwaliteit van de buitenruimte, veiligheid, groen in de omgeving, de aanwezigheid van voorzieningen, de rol die huurbazen kunnen spelen, de aanwezigheid van openbaar vervoer, de betaalbaarheid van de eigen woning. Mensen willen niet op een troosteloze plek vertoeven. Toch komen die plekken voor in Nederland. niet iedereen heeft de keuze om van omgeving te veranderen, om naar een betere plek te verhuizen of om zelf de eigen woonomgeving beter te maken. Maar over het algemeen zijn – denk ik – veel Nederlanders wel tevreden.”

“Tja, als deze aspecten allemaal op orde zijn, dan is iedereen tevreden en op z’n gemak, toch? Dat zou dus het doel moeten zijn. Gelukkig zie ik dat Volkshuisvesting opnieuw op de agenda staat. Het is geagendeerd in de politiek: zorgen dat iedereen in Nederland een veilige en betaalbare plek heeft om zich thuis te voelen. Als dát lukt… ja, dan weet iedereen écht wat ‘mooi wonen’ is!”

2. Maar zijn er dan nog wel plekken in het ‘volle Nederland’ waar we dat ‘mooi wonen’ kunnen realiseren?

“Ja, er is zeker nog wel ruimte. Maar niet overal. Ik was kort geleden in Oost-Groningen. Daar is nog volop ruimte, maar toch is dat nu niet een ideale vestigingsplek. Er is weinig werkgelegenheid en de vervoersverbindingen zijn beperkt. Hier gaat het dus ook om het creëren van voorzieningen waardoor er een aantrekkelijker perspectief ontstaat om je daar te vestigen.”

“Maar er speelt nog iets. Alle ruimteclaims die er zijn in Nederland zijn nu meer dan ooit verbonden met de energietransitie en de klimaatverandering. Het maakt de inrichting van het land tot een supercomplexe opgave. Toch kun je die terugbrengen tot een eenvoudig principe zoals  een ‘volhoudbare leefomgeving’. We gaan toe naar wonen, werken, recreëren vanuit maatschappelijke waarden. Dat betekent bijvoorbeeld dat op termijn schaalvergroting zich niet meer loont. Er moeten wat mij betreft meer fijnmazige netwerken in wijkstructuren ontstaan. Bijvoorbeeld alleen al om eenzaamheid van mensen te voorkomen! Schaalverkleining en decentralisatie vergroten de kans op verbinding en betrokkenheid.  Het is aan de overheden om de fysieke verbindingen te faciliteren.”  

“Dus ook: meer lokale woonvoorzieningen waar mensen zich vanzelfsprekend verantwoordelijk voor gaan voelen. Dat levert minder automobiliteit op, kleinere scholen, meer groen en zeker ook meer diversiteit in de steden. En natuurlijke energievoorzieningen zijn straks ook lokaal; opwekking en opslag dicht op de plek waar het verbruikt wordt.”

“In de toekomst gaan we tevens ín gebouwen beter met de ruimte om. Zo kun je bijvoorbeeld een schoolgebouw combineren met wijkfuncties, waardoor er ’s avonds en in het weekend ook gebruik van kan worden gemaakt. Dit soort oplossingen zie ik als een onderdeel van de vraag hoe je (slimmer) met ruimte om kunt gaan! ”

3. Heeft de coronacrisis invloed gehad op de manier van denken over ‘wonen’ in Nederland?

“Jazeker. Het een en ander is wel flink door elkaar geschud. Er is ook een kantelpunt ontstaan. De klimaatdoelstellingen én de energietransitie hebben definitief een andere visie gecreëerd op de verworvenheden van onze samenleving versus de aansprakelijkheden. Deskundigen en wetenschappers helpen mee om naar de toekomst van Nederland te kijken en verkenningen te ontwikkelen over hoe we straks samen leven en hoe werken. Als ontwerpers zijn we in staat deze verkenningen te verbeelden en mensen mee te nemen naar een veranderend Nederland. De coronacrisis heeft ons laten inzien dat het anders moet en ook dat het echt anders kan.”

4. Welke uitdaging ligt er dan voor de (landschaps-)architecten in hun dagelijkse werk?

“(Landschaps-)architecten mogen hun opdrachtgevers meer dan voorheen wijzen op het  rentmeesterschap. Ik zie bijvoorbeeld nog steeds  dat bedrijventerreinen – nadat ze zijn ‘afgeschreven’ – verweesd achterblijven en worden ingeruild door een nieuw en groter bedrijventerrein. Dat moet beter. Als je (echt) toekomstgericht wilt ontwerpen en bouwen, dan gaat het om het nemen van verantwoordelijkheid voor wat er ná die periode met dat gebouw, dat terrein of de omgeving moet gebeuren. We zouden daar met z’n allen een meer kritische houding in moeten ontwikkelen. Tijdens het ontwerpproces kun je daar jezelf én je opdrachtgevers belangrijke vragen over stellen.”

5. Uw termijn als Rijksbouwmeester loopt tot en met 2025? Met welke ‘verdienste’ wilt u afzwaaien?

“Ik ben niet Rijksbouwmeester geworden om straks mijn erfenis als verdienste achter te laten. Als we de problematieken én uitdagingen van de beperkte ruimte in Nederland nu goed weten op te pakken, en dat weten te combineren met de juiste oplossingen voor een duurzaam land, dan verwacht ik dat we een impuls geven aan de volhoudbare leefomgeving. Aan die ambitie wil ik mij verbinden.”